Example: bachelor of science

Eenvoudige basisgrammatica NT2

Boom, Amsterdam 2007 1 Eenvoudige basisgrammatica NT2 Extra oefeningen Jenny van der Toorn-Schutte Boom Amsterdam Boom, Amsterdam 2007 Les 1 Zin, woord, letter Oefening 1 Schrijf de HOOFDLETTERS. Voorbeeld: a A 1 a .. 11 k .. 21 u .. 2 b .. 12 l .. 22 v .. 3 c .. 13 m .. 23 w .. 4 d .. 14 n .. 24 x .. 5 e .. 15 o .. 25 y .. 6 f .. 16 p .. 26 z .. 7 g .. 17 q .. 8 h .. 18 r .. 9 i .. 19 s .. 10 j .. 20 t .. Boom, Amsterdam 2007 3 Les 3 Zinnen maken (1) Oefening 2 Maak zinnen. Begin met een hoofdletter en denk aan de punt. 1 loopt buiten Yusuf .. 2 binnen Maria zit .. 3 leest de krant Andreas .. 4 Marokkaans spreekt Aisha .. 5 spreekt Nederlands Jan .. 6 werkt Mehmet in de fabriek .. 7 Henna een kind krijgt .. 8 Mijn opa morgen komt .. 9 zit de docent in de auto.

Kom je ook op ..... feestje? 2 Heb je geen pen? Neem die van ..... maar; ik heb ..... niet nodig. 3 Ligt mijn horloge op tafel? Nee hoor, ..... horloge ligt hier niet. 4 Murat gaat naar de moskee ..... broer gaat ook mee. ...

Information

Domain:

Source:

Link to this page:

Please notify us if you found a problem with this document:

Other abuse

Advertisement

Transcription of Eenvoudige basisgrammatica NT2

1 Boom, Amsterdam 2007 1 Eenvoudige basisgrammatica NT2 Extra oefeningen Jenny van der Toorn-Schutte Boom Amsterdam Boom, Amsterdam 2007 Les 1 Zin, woord, letter Oefening 1 Schrijf de HOOFDLETTERS. Voorbeeld: a A 1 a .. 11 k .. 21 u .. 2 b .. 12 l .. 22 v .. 3 c .. 13 m .. 23 w .. 4 d .. 14 n .. 24 x .. 5 e .. 15 o .. 25 y .. 6 f .. 16 p .. 26 z .. 7 g .. 17 q .. 8 h .. 18 r .. 9 i .. 19 s .. 10 j .. 20 t .. Boom, Amsterdam 2007 3 Les 3 Zinnen maken (1) Oefening 2 Maak zinnen. Begin met een hoofdletter en denk aan de punt. 1 loopt buiten Yusuf .. 2 binnen Maria zit .. 3 leest de krant Andreas .. 4 Marokkaans spreekt Aisha .. 5 spreekt Nederlands Jan .. 6 werkt Mehmet in de fabriek .. 7 Henna een kind krijgt .. 8 Mijn opa morgen komt .. 9 zit de docent in de auto.

2 10 leren Nederlands wij .. Boom, Amsterdam 2007 Les 5 Hij / het / zij; je / we / ze Oefening 3 Wat is het goede persoonwoord? hij, het of ze? 1 de kinderen 11 de appel .. 2 de vrouw .. 12 de fiets .. 3 het meisje .. 13 de baby .. 4 de bus .. 14 het schrift .. 5 de bussen .. 15 de appels .. 6 de vrouwen .. 16 de fietsen .. 7 het kind .. 17 het pak .. 8 de jongens .. 18 de winkels .. 9 de stoel .. 19 het paard .. 10 de stoelen .. 20 de paarden .. Boom, Amsterdam 2007 5 Les 6 Het meervoud van mensen en dingen (1) Oefening 4 Vul in: 1 een tafel met vier (stoel) 2 een stoel met (poot) 3 een kamer met (bed) 4 een tuin met (roos) 5 een keuken met (pan) 6 een tas met (brief) 7 een jas met (mouw) 8 een weg met (boom) 9 een huis met (raam) 10 een straat met (huis) Oefening 5 Zet de woorden in het meervoud in de goede rij.

3 -en ss / tt f = v / s = z 1 de bus twee .. 2 de boom twee .. 3 het huis twee .. 4 de muur twee .. 5 de raam twee .. 6 de brief twee .. 7 de roos twee .. 8 de vaas twee .. 9 de prijs twee .. 10 de pot twee .. 11 de mens twee .. 12 de zeef twee .. Boom, Amsterdam 2007 Les 8 Uitzonderingen Oefening 6 Wat is het enkelvoud? 1 de schepen 2 de steden 3 de landen 4 de scholen 5 de glazen 6 de gaten 7 de dagen 8 de paarden 9 de wegen 10 de golven Boom, Amsterdam 2007 7 Les 9 De persoon met het werkwoord Oefening 7 Herhaling. Kijk ook bij les 4 en 5. Welk persoonwoord? Denk om de het-woorden! 1 de vader = .. 2 de moeder = .. 3 de broer = .. 4 het zusje =.

4 5 de docenten = .. 6 het hondje = .. 7 de ooms = .. 8 de tante = .. 9 de kinderen = .. 10 het kind = .. Boom, Amsterdam 2007 Les 11 Zijn en hebben Oefening 8 Zet de zin in het enkelvoud. Kijk naar het voorbeeld. 1 De rozen zijn mooi. De roos is mooi.. 2 De huizen zijn duur.. 3 De jongens voetballen.. 4 De meisjes spelen buiten.. 5 De kinderen lachen.. 6 De cursisten praten.. 7 De foto s zijn leuk.. 8 Wij lezen een boek.. 9 Jullie zijn te laat.. 10 De antwoorden zijn goed.. Boom, Amsterdam 2007 9 Les 12 Vraagzinnen Oefening 9 Maak van de zinnen vraagzinnen. 1 Yusuf heeft een nieuwe fiets. Heeft Yusuf een nieuwe fiets? .. 2 Moeder doet boodschappen.. 3 De leerlingen leren hun les goed.. 4 Jan komt bij ons eten.

5 5 Alle jongens houden van voetballen.. 6 Veel meisjes vinden zingen leuk.. 7 Dennis is thuis.. 8 De telefoon gaat.. 9 Het boek is mooi.. 10 Mohamed heeft een mooi cijfer.. Oefening 10 Maak vraagzinnen. 1 Gerrit leest een boek. Leest Gerrit een boek? .. 2 Het vliegtuig landt op het vliegveld.. 3 Ahmed heeft een tien voor de repetitie.. 4 We krijgen morgen vakantie.. 5 De bel gaat.. 6 Je werkt hard.. 7 De winkels gaan om zes uur dicht.. 8 Het horloge loopt goed.. 9 De klok is gelijk.. 10 Jan fietst naar school.. 11 De trein vertrekt om half zes.. 12 Jij gaat morgen naar de dokter.. Boom, Amsterdam 2007 Les 14 Verkleinwoorden Oefening 11 Nu alles door elkaar. Denk ook om het lidwoord. 1 het brood .. 2 de doos .. 3 de zon .. 4 de boer .. 5 de boot .. 6 de schil .. 7 de vis .. 8 de bloem .. 9 de veger .. 10 het schip .. 11 de deur .. 12 de fiets.

6 13 het raam .. 14 de opa .. 15 de vogel .. 16 de schoen .. 17 de maan .. 18 de man .. 19 de pen .. 20 de pan .. 21 de kamer .. 22 de klok .. 23 het glas .. 24 de liniaal .. 25 de vrouw .. 26 de tafel .. 27 het potlood .. 28 de oma .. Boom, Amsterdam 2007 11 Les 16 Dit, dat, deze, die, welk, welke Oefening 12 Wat is dit? Wat zijn dit? 1 Dit .. een noot. 2 Dat .. aardbeien. 3 Dat .. een huis. 4 Dit .. huizen. 5 Dit .. wolken. 6 Dat .. een roos. Boom, Amsterdam 2007 Les 18 Niet / geen Oefening 13 Geef antwoord. 1 Is het mooi weer? Nee, het is geen mooi weer.. 2 Ga je naar school? Nee, .. 3 Ben je ziek? Nee, .. 4 Ben je vanmiddag vrij? Nee, .. 5 Hebben we vandaag een repetitie? Nee, .. 6 Krijgen we een cijfer? Nee, .. 7 Heb je een mooi rapport? Nee, .. 8 Begrijp je die vraag?

7 Nee, .. 9 Weet je waar mijn tas is? Nee, .. 10 Is Raoul op school? Nee, .. Boom, Amsterdam 2007 13 Les 19 Van jou, van mij Oefening 14 Vul in. Kies uit: mij / mijn / jou / je / jouw / zijn / haar / hem / ons / onze / jullie / hen / hun / ze. 1 Ik ben morgen jarig. Kom je ook op .. feestje? 2 Heb je geen pen? Neem die van .. maar; ik heb .. niet nodig. 3 Ligt mijn horloge op tafel? Nee hoor, .. horloge ligt hier niet. 4 Murat gaat naar de moskee .. broer gaat ook mee. 5 De moeder van Fatma is ziek. Fatma zorgt voor .. 6 Wij gaan verhuizen. We rijden naar .. nieuwe huis. 7 Hebben jullie .. schriften bij ..? 8 Kan je schoenen op de markt kopen? Ik koop .. altijd in de winkel. 9 Eet je die sinaasappel niet op? Vind je .. niet lekker? 10 Je hebt .. trui verkeerd aan! Boom, Amsterdam 2007 Les 21 Dik, dikker, het dikst Oefening 15 Geef mondeling antwoord. 1 Vraag aan een andere cursist wat hij of zij lekkerder vindt: een appel of een sinaasappel.

8 2 Vraag aan een andere cursist wat hij of zij mooier vindt: goud of zilver. 3 Vraag aan een andere cursist wat hij of zij beter vindt: reizen met de trein of met de auto. 4 Vraag aan een andere cursist wat zwaarder is: een pond of een kilo. Oefening 16 Geef mondeling antwoord. Gebruik een hele zin! 1 Wat is het zwaarst, papier of karton? 2 Wat is het verst van Nederland, Amerika of China? 3 Wat vind je het leukst, een jongetje of een meisje? 4 Wat heb je het liefst, een scooter of een auto? 5 Wat kost het minst, een auto of een scooter? Boom, Amsterdam 2007 15 Les 22 Getallen Oefening 17 Spreek de volgende telefoonnummers uit. 030-6375252 042-7748391 0684567231 0690340561 Boom, Amsterdam 2007 Les 24 Mogen, willen, kunnen, zullen, moeten, komen Oefening 18 Vul in. 1 willen Saidja .. bij ons blijven slapen. 2 mogen .. zij dat van haar ouders? 3 zullen Zij zegt: Ik .. het vragen. 4 willen Zij .. graag bij ons komen logeren.

9 5 mogen Het .. van haar ouders. 6 komen Zij .. vanavond om zes uur. Oefening 19 Vul het hele werkwoord in. Kies uit: fietsen, wachten, komen, inpakken, starten, slapen 1 Kun je nog even op ? 2 Ik moet mijn tas . 3 Op deze weg mag je . 4 Uit welk Yusuf en Maria? 5 Ik wil om elf uur . 6 De auto wil . Oefening 20 Zet schuine streepjes tussen de zinsdelen. Voorbeeld: Ik / zal / het boek / morgen / betalen. 1 Kun je mij het zout geven? 2 Jullie moeten niet zo hard schreeuwen. 3 Mag ik u een glaasje wijn inschenken? 4 Ik kan hier met niemand praten. 5 Zullen we de buren uitnodigen? 6 Kun je morgen bij me komen? 7 Ik moet vanavond mijn huiswerk maken. 8 De kinderen spelen de hele dag buiten. 9 Ze zullen wel erg moe worden. 10 Vanavond is er voetbal op tv. Boom, Amsterdam 2007 17 Les 27 Heb gewoond, ben gekomen Oefening 21 Zet een streep onder het ge-woord. Van welk werkwoord komt het ge-woord? Vul dat eerst in (a).

10 Welk hulpwerkwoord wordt gebruikt, hebben of zijn? Vul dat ook in (b). b a 1 We (b) hebben .. boodschappen gedaan. (a) doen .. 2 We .. naar de stad geweest.. 3 We .. een nieuwe tv. gekocht.. 4 We .. wel een uur in de winkel gebleven.. 5 We .. met de bus naar huis gegaan.. 6 We .. s avonds naar het voetballen gekeken.. Boom, Amsterdam 2007 Les 29 Woonde, werkte Oefening 22 Zet deze zinnen in de verleden tijd. 1 Hein haalt suiker en snoepjes bij de supermarkt.. 2 Hij proeft een lekker snoepje.. 3 Hij stopt de boodschappen in zijn tas.. 4 Dan hoort hij de stem van zijn vriend achter zich.. 5 Hij wacht op hem.. 6 Ze praten samen over de voetbalclub.. 7 Zij horen bij dezelfde club.. 8 Op zaterdag spelen zij een wedstrijd.. 9 Zijn vriend hoopt op succes.. 10 Zij maken altijd veel doelpunten.. Boom, Amsterdam 2007 19 Les 37 Zich herinneren, zich vervelen Oefening 23 Vul in. Kies tussen hij, hem, zijn of zich Een man had.


Related search queries