Transcription of je kan me wat
1 Module 10docere delectare movereROC van Amsterdam educatie ROC van Amsterdamje kan me je kan me wat -tekeningen -1234567891012345678910 ROC van Amsterdam - educatie - ROC van Amsterdampagina1je kan me van Amsterdam - educatie - ROC van Amsterdampagina2je kan me van Amsterdam - educatie - ROC van Amsterdampagina3je kan me van Amsterdam - educatie - ROC van Amsterdampagina4je kan me van Amsterdam - educatie - ROC van Amsterdampagina5je kan me DE GOEDE LETTER OP HET ANTWOORDBLADLUISTER GOED en KIES HET GOEDE PLAATJE4321pagina6je kan me van Amsterdam - educatie - ROC van Amsterdamaabbccddabcdadabcdbc98765pagina 7je kan me ]Ze antwoordt: Ja, straks!
2 B]Ze antwoordt: Ja, graag! c]Ze antwoordt: Ja, niets! a]Dit is een schoen met een hoge ]Dit is een schoen zonder hoge ]Dit is een schoen met een lage ]Het regent ]Het waait ]Het sneeuwt ]Het meisje zegt: Mama, ik hoef niet! b]Het meisje zegt: Mama, ik moet niets! c]Het meisje zegt: Mama, ik moet nodig! a]Het is winter. De sneeuwpop ]Het is zomer. De sneeuwpop ]Het is heel erg koud: - 10 graden. De sneeuwpop kan me ]Niemand ]Iedereen ]Iedereen ]Ze drinken allebei ]Niemand ]Ze drinken ]Ze stappen ]Ze stappen ]Ze stappen ]In de herfst schaatsen mensen ]In de zomer schaatsen mensen ]In de winter schaatsen mensen ]De man vraagt: Wilt u een sigaret?
3 B]De man vraagt: Heeft u sigaretten? c]De man vraagt: Mag ik een sigaret van u? pagina9je kan me ]Ze doet haar sjaal ]Ze doet haar sjaal ]Ze doet haar sjaal ]De man komt binnen. De dokter zegt: Ga weg! b]De man komt binnen. De dokter zegt: Tot ziens! c]De man komt binnen. De dokter zegt: Gaat u zitten! a]De man zegt: Dit wiel is kapot. Kunt u het maken? b]De man zegt: Dit wiel is kapot. Kan ik het maken? c]De man zegt: Dit wiel is kapot. Kan jij het maken? a]Ze geeft de kaartjes aan de ]De vrouw controleert de ]Hij geeft de kaartjes aan de ]Het meisje kan de borden ]Het meisje kan de borden niet ]De moeder van het meisje kan de borden niet kan me van Amsterdam - educatie - ROC van Amsterdam3Ze staan in de rij bij het moeten een treinkaartje man zegt: Mag ik twee enkeltjes Utrecht!
4 1 Een man en een vrouw gaan op lopen naar het gaan met de trein op man pakt de kaartjes en laat dekaartjes aan de conducteur conducteur controleert de kaartjesen knipt de zegt: Ok , dank u! 7Ze staan op en stappen conducteur komt zegt: Goedemorgen,uw plaatsbewijzen alstublieft! 5De trein is er nog moeten wachten. Ze gaan een kwartiertje komt de trein kan me [a] gaan1De man[b] ga zitten.[c] gaat[a] iets2Er zit[b] niemand aan de bar.[c] niets[a] stapt3De mensen[b] stappen in.[c] stap[a] staat4De thermometer [b] gaat hoog. Het is warm.[c] zit[a] niets5Ze eet[b] iets .[c] niemand[a] Wil6 Hij vraagt: [b] Mag je een sigaret?
5 [c] Geef[a] laarzen7Ze doet haar[b] schoenen aan.[c] broek[a] kan8Ze zegt: Ik[b] moet plassen! .[c] magKIJK NAAR HET PLAATJE en KIES HET GOEDE WOORD pagina12je kan me **LEES EN BEGRIJP**Het is zomer. Het is zon schijnt is vaak mooi kinderen spelen vaak regent soms. Het regent niet sneeuwt nooit in de is elke dag laat zijn veel vogels en de zomer draagt iedereen dunne draagt een muts of een dikke de zomer heb je de grote de vakantie werk je de vakantie werkt de vakantie doe je is winter. Het is zijn weinig vogels zijn geen bloemen kinderen spelen vaak moeten altijd dikke kleren is elke dag vroeg de winter gaan mensen nooit buiten de winter draagt iedereen dikke draagt een badpak of een korte de winter heb je Sinterklaas en de Sinterklaas krijgen de kinderen veel kerstmis eet iedereen extra de kerstvakantie hoef je niets te kerstmis stuurt iedereen elkaar een kan me drink in de pauze _____ een kopje koffie.
6 Ik vind koffie niet. Ik drink _____ koffie in de pauze. Ik vind het vies. Ik neem doe mijn boodschappen _____ op de markt. De markt is Maak jij _____ je huiswerk? Ja, natuurlijk! Huiswerk maken is belangrijk! 5Ik zeg mijn buren _____ Goeiedag! . Ik vind het aardige Eet jij vaak vlees? Nee, _____ ! Ik ben vegetari r VUL IN: niet - wel1In de klas mag je _____ roken. In de pauze _____, maar buiten!2Op zaterdag en zondag [in het weekend] ga je _____ naar zondag zijn de winkels _____ open, maar op de andere dagen drink geen koffie, maar _____ vrouw drinkt op het feest geen alcohol. Ik _____.
7 Zij rijdt!6Ik lees de zin _____, maar ik begrijp de zin IN: niemand - iedereen1Op zondag heeft _____ moet elke les komen, of je moet ziek leraar vraagt: Heeft _____ de les begrepen? 4In de zomer draagt _____ handschoenen of een dikke leraar is boos. _____ heeft het huiswerk _____ in Nederland heeft IN: nooit - altijdpagina14je kan me WAT HET WORDTKIJKEN WAT HET WORDTZOEK WOORDEN BIJ ELKAAR1het kaartje[..]staan2de passagiers[..]omdoen3de sjaal[..]kijken4in de rij[..]controleren5naar buiten[..]stappen in6het is winter[..]de tram7het is zomer[..]de week begint8het station[..]het is buiten koud9de halte[..]de trein10maandag[.]
8 ]het is buiten warmWAT KAN NIET?[a] het kaartje1De conducteur controleert[b] het boekje .[c] het abonnement[a] de tramhalte2De man wacht op[b] de trein .[c] de bus[a] uit3 Bij de tramhalte stapt ze[b] bij .[c] in[a] De week4 Het is maandagochtend.[b] De maand begint weer.[c] Het werk[a] schaatsen5De kinderen gaan buiten[b] zwemmen . Het is zomer.[c] voetballen[a] Niemand6 Het is stil.[b] Iedereen praat.[c] Geen menspagina15je kan me is half acht en Jan staat bij de tramhalte van tram wacht op tram is winter. Het is wil weer lekker in bed liggen. Maar dat kan is maandag. De week begint moet naar zijn werk, hij moet naar , gelukkig!
9 Tram 6 komt stapt in en gaat in de tram is nog kijkt naar buiten of leest de krant. Niemand zegt elke halte stappen mensen in en uit de moet weer naar het kijkt niet naar de andere mensen, hij kijkt naar tram stopt : Goedemorgen, uw plaatsbewijzen alstublieft! Er staan 3 controleurs in de controleur staat naast Jan. Uw plaatsbewijs, alstublieft! , zegtde pakt zijn portemonnee .Hij kijkt, hij kijkt nog is zijn abonnement?Jan heeft zijn abonnement altijd inzijn portemonnee voelt in zijn wordt zenuwachtig. De andere mensen kijken naar dan voelt hij het abonnement in zijn rechter jaszak. Gelukkig!Snel laat hij zijn abonnement aan de controleur zien.
10 Oke, dank u , zegt de heeft het niet meer EN LEES pagina16je kan me - GRKL - KRDR - TR1gl - gr1kl - kr1dr - tr2gl - gr2kl - kr2dr - tr3gl - gr3kl - kr3dr - tr4gl - gr 4kl - kr4dr - tr5gl - gr5kl - kr5dr - tr6gl - gr6kl - kr6dr - trLUISTER NAAR DE DOCENT EN KIES DE GOEDE KLANKLEES DE TEKST VAN PAGINA 6DE TEKST VAN PAGINA 6DE TEKST VAN PAGINA 6DE TEKST VAN PAGINA 6DE TEKST VAN PAGINA 6 EN BESLIS: waar waar waar waar waar of niet waar niet waar niet waar niet waar niet waar1 Jan wacht op de tram bij het gaat deze ochtend graag naar zijn werkt als arbeider op een heeft een dikke jas stappen drie agenten de tram heeft een kan zijn abonnement niet snel wordt zenuwachtig.