Transcription of Wijzigingen vanaf 1 januari 2017 - devaccount.be
1 Wijzigingen vanaf 1 januari 2017 Roerende voorheffing naar 30% De roerende voorheffing is een voorschot (voorheffing) op de inkomstenbelasting die geheven wordt op inkomsten uit roerende goederen zoals bijvoorbeeld dividenden en interesten. Het algemene tarief van de roerende voorheffing heeft reeds een opmerkelijke stijging doorgemaakt doorheen de jaren. Oorspronkelijk bedroeg het tarief dividenden 15% en daarna 21%. Hierop volgde in 2012 een stijging naar 25%, om dan op 1 januari 2016 opnieuw te verhogen naar 27%.
2 Deze stijgende lijn trekt zich nu door met de verhoging naar 30% vanaf 1 januari 2017. Tijdens de laatste jaren werden wel enkele gunstmaatregelen uitgewerkt waardoor onder voorwaarden kan worden genoten van een verlaagd tarief. Enkele voorbeelden zijn de zogenaamde VVPRbis-regeling die onder voorwaarden een tarief van 15% voorziet voor dividenden van kleine vennootschappen die voortkomen uit aandelen uitgegeven naar aanleiding van een inbreng in geld vanaf 1 juli 2013. Of de terugbetalingen van kapitaal die afkomstig zijn van de zogenaamde interne liquidatie of vastklikregeling waardoor eveneens onder voorwaarden een verlaagd tarief mogelijk is, maar ook de regeling met betrekking tot de gewone liquidatiereserve.
3 Deze gunstige tarieven blijven voorlopig gelukkig bestaan. Liquidatiereserve: n van de recente aantrekkelijke gunstregelingen Het systeem van de liquidatiereserve werd in 2014 ingevoerd. Kleine vennootschappen krijgen sindsdien de mogelijkheid ervoor te kiezen om hun (boekhoudkundige) winst na belastingen geheel of gedeeltelijk over te boeken naar een liquidatiereserve, een aparte rekening op het passief. Daarvoor moeten zij, in het belastbaar tijdperk waarin de liquidatiereserve is aangelegd, een afzonderlijke, voorafgaande heffing van 10% betalen op het gereserveerde bedrag.
4 Deze afzonderlijke aanslag kan niet als beroepskost afgetrokken worden door de vennootschappen. Een bijzondere regeling geldt vervolgens voor de latere uitkering van deze reserve. Bij een uitkering als dividend is volgende roerende voorheffing verschuldigd (boven op de reeds door de vennootschap betaalde heffing van 10%): 5% wanneer de dividenduitkering plaatsvindt na het verstrijken van vijf jaar te rekenen vanaf het einde van het belastbaar tijdperk waarvoor de boeking op de liquidatiereserve is gebeurd; 17% wanneer de dividenduitkering plaatsvindt binnen de vijf jaar te rekenen vanaf het einde van het belastbaar tijdperk waarvoor de boeking op de liquidatiereserve is gebeurd.
5 Ook dit percentage zal stijgen vanaf 1 januari 2017 naar 20%, maar dan enkel voor de nieuwe reserves die zijn opgebouwd vanaf 1 januari 2017. Bij een latere vereffening van de vennootschap is op de liquidatiebonus die afkomstig is van deze bijzondere reserverekening, geen roerende voorheffing meer verschuldigd. De door de vennootschap eerder betaalde heffing van 10% zal in dat geval de enige heffing zijn over deze liquidatiereserves. De aanleg van een liquidatiereserve blijft dus zeker een belangrijke mogelijkheid voor elke kleine vennootschap waarvan de aandelen gehouden worden door natuurlijke personen.
6 40 % voordeel van alle aard in VU bij vergoeding brandstofkosten Met ingang van 1 januari 2012 werd er een nieuwe verworpen uitgave ingevoerd, gelijk aan 17 % van het voordeel van alle aard dat wordt aangerekend voor het priv gebruik van bedrijfswagens. Deze verworpen uitgave wordt met ingang van 1 januari 2017 verder verhoogd tot 40 % van het voordeel van alle aard de wagens waarvoor de brandstofkosten worden vergoed door de vennootschap. Het ontwerp spreekt niet specifiek over het gebruik van tankkaarten, zodat ook andere vergoedingswijzen, zoals bijvoorbeeld het gebruik van onkostennota s, worden beoogd.
7 Bovendien zou het tarief van 40 % ook van toepassing zijn indien de werkgever slechts een gedeelte van de brandstofkosten voor zijn rekening neemt. Net zoals bij de huidige 17 %, vormt de 40 % van het voordeel van alle aard de minimale belastbare basis van de vennootschap, aangezien hier geen fiscale aftrek op toegepast kan worden. Dus ook verlieslatende vennootschappen zullen mogelijk hun verschuldigde vennootschapsbelasting zien stijgen. Oorspronkelijk werden enkel de voordelen beoogd die op de fiche 281 of het loonattest werden gerapporteerd.
8 De voordelen die volledig of gedeeltelijk werden verminderd door een eigen bijdrage moesten tot op heden niet of niet volledig verworpen worden voor 17 %. Aan dit onderscheid komt nu een einde. Voortaan zullen de voordelen steeds moeten worden verworpen aan 17 % of 40 % en dit ongeacht het feit of er een eigen bijdrage wordt betaald. We denken bijvoorbeeld aan de voordelen die via de rekening-courant worden verwerkt of die via factuur of het loon worden verrekend. Referentie-CO2-uitstoot voor 2017 Voor wagens met een benzine- LPG, of aardgasmotor daalt de referentie-CO2-uitstoot tot 105 g/km.
9 Voor dieselwagens is dat 87 g/km. Dergelijke daling leidt ook op haar beurt weer tot een verhoging van de voordelen van alle aard. Ter herinnering, de formule voor het berekenen van dit voordeel wordt als volgt bepaald : cataloguswaarde x quoti nt datum eerste inschrijving x gebruiksduur x CO2 percentage x 6/7 waarbij CO2 percentage als volgt wordt bepaald Het basispercentage voor de berekening is 5,5 pct, ter verhogen met het deel dat boven de referentie-uitstoot ligt. Deze referentie-uitstoot wordt jaarlijks door een Koninklijk Besluit vastgelegd.
10 Wanneer de uitstoot hoger ligt dan de referentie-uitstoot wordt het berekeningspercentage vermeerderd met 0,1 % per CO2 gram tot een maximum van 18%. Wanneer de uitstoot lager ligt dan de referentie-uitstoot wordt het berekeningspercentage verminderd met 0,1 % per CO2 gram tot een minimum van 4%. Indien er geen CO2 gegevens beschikbaar zijn zal een forfaitaire uitstoot gebruikt worden: 195 g/km voor voertuigen met een dieselmotor 205 g/km voor voertuigen met een ander type motor De belasting op de interne meerwaarden Voor de inbreng van aandelen van een vennootschap in een andere vennootschap door een natuurlijk persoon die handelt binnen het normaal beheer van zijn priv vermogen, zou een nieuwe interpretatie gegeven worden aan de verhoging van het fiscaal gestort kapitaal dat volgt uit de inbreng.